Welkom bij de nieuwe Europa-nieuwsbrief over onze onafhankelijkheid. Eerst even voorstellen: mijn naam is Thomas Huttinga, ik ben een Nederlandse auteur en academicus en sinds kort woon ik in Antwerpen. In november verschijnt mijn nieuwe boek: Supermacht Europa, de weg naar onafhankelijkheid bij uitgeverij Ten Have.
Het doel van deze nieuwsbrief is om u elke week mee te nemen in nieuws dat mij opvalt. Het begrip ‘Europese onafhankelijkheid’ komt vaak voorbij in de publieke opinie, maar wat betekent het concreet? En hoe staan we er eigenlijk voor?
Met de eerste week een blik op de hemel, want ook daar vindt een strijd plaats voor onze onafhankelijkheid. We gaan naar de ruimte.
Terwijl veel Europeanen vorige week eensgezind de zonsverduistering bewonderden, is er voor onze onafhankelijkheid ook veel reden om naar de ruimte te blijven kijken. De rondzwevende satellieten bepalen namelijk hoe onze communicatie, navigatie en onderdelen van onze defensie-inlichtingen verlopen. En tot nu toe is Europa deels voor belangrijke satellietdiensten afhankelijk van Amerikaanse bedrijven. Of, beter gezegd: het bedrijf SpaceX van de rijkste persoon ter wereld, de Amerikaan Elon Musk. SpaceX exploiteert met Starlink een van de grootste satellietinternetnetwerken ter wereld, en dat betekent in sommige gevallen afhankelijkheid van bepaalde communicatiediensten.
Starlink is bijvoorbeeld de achilleshiel van de Oekraïense militaire en civiele communicatie in de oorlog tegen Rusland. Het bedrijf is belangrijk voor het aansturen van drones, onderlinge militaire communicatie en internetgebruik voor burgers. Het is een punt van afhankelijkheid dat strategisch kwetsbaar kan zijn: niet alleen door druk vanuit Washington, maar ook doordat Musk de toegang tot Starlink kan beperken of beëindigen. Hiermee heeft hij ook meerdere keren gedreigd.
De macht van Musk werd deze maand nog duidelijk toen Polen tijdelijk werd uitgesloten van de Europese roamingzone van Starlink. Hierdoor zouden Poolse gebruikers hun Starlink-abonnement niet meer onder dezelfde voorwaarden in andere Europese landen kunnen gebruiken. Starlink is met name belangrijk voor afgelegen gebieden waar internet aangeboden kan worden via zogeheten LEO-satellieten. De Poolse regering ging in protest, en gelukkig met resultaat: de beslissing werd teruggedraaid. Waarom Polen werd uitgesloten, is niet publiekelijk bekend. Uiteindelijk kan een Amerikaan dus met een druk op de knop de voorwaarden bepalen waaronder inwoners van een Europees land toegang hebben tot een commercieel satellietnetwerk.
Wat kunnen we doen tegen deze Amerikaanse invloed? En heeft Europa dan zelf geen satellieten? Die zijn er wel: OneWeb van het Franse Eutelsat is een alternatief met honderden satellieten in de ruimte, maar het is langzamer en duurder. Ook is er GOVSATCOM, een EU-initiatief dat nationale satellietsystemen integreert en in januari 2026 is gelanceerd. Een hoopgevend Europees tegenantwoord is het IRIS²-programma, dat de Europese Commissie in 2029 wil lanceren. Deze constellatie is goed voor meer dan 340 satellieten: op 7 augustus werd bekendgemaakt dat de Europese Commissie 66 satellieten extra wil lanceren. De implementatie werd bovendien versneld met een jaar. Een grote rol voor de productie is weggelegd voor de Belgische start-up Aerospacelab , zo berichtte Handelsblatt. Het bedrijf gaat maar liefst tot 264 van de 348 satellieten bouwen.
Tevens wil de Europese ruimtevaartindustrie zich wapenen tegen de dominantie van Starlink. Airbus, Thales en Leonardo kondigden in oktober 2025 aan hun satellietactiviteiten te willen bundelen in een nieuw Europees ruimtevaartbedrijf (Project Bromo). De voorgenomen fusie moet schaalvoordelen opleveren en Europa minder afhankelijk maken van Amerikaanse satellietbedrijven. Het initiatief staat los van IRIS², maar sluit aan bij dezelfde Europese strategie om een eigen, concurrerende satellietinfrastructuur op te bouwen.
De invloed van de Amerikanen in de ruimte is het eerste probleem. Het tweede probleem is dat we, om onze satellieten in de ruimte te krijgen, afhankelijk zijn van Amerikaanse raketten. Twee Galileo-satellieten, het Europese antwoord op het Amerikaanse GPS-systeem en belangrijk voor bijvoorbeeld telefoonverbindingen van miljoenen Europeanen, moesten in 2024 gelanceerd worden in de Verenigde Staten. Onze lanceercapaciteit via het EU-Arianeprogramma bestaat wel, maar staat nog in de kinderschoenen. Een deel van onze lanceercapaciteit wordt daarnaast gebruikt om Amerikaanse satellieten te lanceren.
Samengevat: Europa is voor sommige communicatiediensten nog te afhankelijk van Amerikaanse satellieten, maar alternatieven zijn er al of zijn in opbouw. Met name het IRIS²-programma is veelbelovend, en mogelijk ontstaat er een Europese ruimtegigant met “Project Bromo”. Vergeleken met bijvoorbeeld de Verenigde Staten en China is er echter meer ambitie nodig: waar het doel van de EU is om per 2030 in totaal enkele duizenden satellieten in de ruimte te krijgen, richten de Verenigde Staten en China zich op tienduizenden satellieten. Maar dat is, zo zullen we vaker zien met betrekking tot onze Europese onafhankelijkheid, ook op veel andere gebieden een probleem.
Bronnen:
EU Commission signs contract to expand IRIS2 satellite constellation | Reuters
Satellites: State of play and challenges for the EU
Raumfahrt: Start-up baut Großteil der Iris2-Satelliten’
Poland forces Starlink U-turn over roaming price hike | Euronews
Europe’s answer to Starlink? Airbus, Thales, and Leonardo agree to satellite merger | Euronews
Een andere leestip over dit onderwerp: (11) Europe paid for the rockets, but won’t fly on them door Adriaan Andringa.
Vond u dit een leuk stuk? Geef het een hartje en vergeet niet mijn account te volgen voor meer posts.

Sterk en interessant stuk. Wat mij opvalt, is hoezeer ruimtevaart binnen de EU de afgelopen jaren is verschoven van een voornamelijk economisch en technologisch beleidsterrein naar een steeds nadrukkelijker geopolitiek en veiligheidsvraagstuk. IRIS² past wat mij betreft goed binnen die bredere ontwikkeling richting strategic autonomy en economic security. Tegelijkertijd roept dit een interessante vraag op: streeft de EU werkelijk naar strategische autonomie, of streeft het vooral naar voldoende eigen capaciteit om minder kwetsbaar te zijn binnen de trans-Atlantische relatie welke uiteindelijk van groot belang blijft?